74. Alsof alles gewoon was

74. Alsof alles gewoon was

Fuerteventura werd wakker in stilte.

Niet de stilte van Noorwegen, waar zelfs sneeuw soms geluid lijkt te maken als het tegen ramen waait. Niet de stilte van Honningsvåg, waar de wind om huizen heen kan huilen alsof hij namen kent. Dit was een andere stilte. Warmer. Zachter. Een stilte met zand erin, met zout, met zonlicht dat langzaam over de haven schoof. De Freja Luna lag rustig in Morro Jable. Voor het eerst in dagen bewoog ze nauwelijks. Geen lange Atlantische deining meer die onder de romp door rolde. Geen zwarte horizon waar je te lang naar keek omdat je dacht dat daar iets vandaan zou komen. Geen koers die gehaald moest worden. Geen stemmen in de nacht. Geen afscheid op de kade.

Alleen een haven. Een paar meeuwen. Het zachte tikken van een lijn tegen de mast. En vijf meiden die eindelijk sliepen alsof ze de hele wereld even hadden losgelaten. Ik zat alleen in de kuip met een mok koffie in mijn handen. De zon stond nog laag. Aan de overkant van de haven liep een man met een hond die meer zin had in de dag dan zijn baas. Ergens werd een luik geopend. Iemand zette stoelen buiten bij een klein café dat waarschijnlijk pas over een uur officieel wakker zou worden. Ik keek naar de achtersteven.

FREJA LUNA – HONNINGSVÅG

De letters stonden daar alsof ze niets hadden meegemaakt. Alsof die naam gewoon een naam was en niet alles wat wij kwijt waren, alles wat wij hadden meegenomen en alles wat wij onderweg hadden teruggevonden.

Honningsvåg.

Thuis. Een woord dat de laatste weken ingewikkelder was geworden. Voor Emma misschien nog wel het meest. Ze was gebleven. Dat klonk simpel als je het zo zei. Emma bleef aan boord. Emma voer met ons mee. Emma hoorde er inmiddels bij. Maar niets aan blijven is simpel als je ouders net zijn vertrokken, als je kamer ergens duizenden zeemijlen verderop leeg staat en als iedereen doet alsof je dapper bent terwijl je zelf vooral niet weet waar dapper ophoudt en heimwee begint.

Ik had haar gisteravond nog op het achterdek zien zitten. Naast Eline. Natuurlijk naast Eline. Die twee zaten tegenwoordig zelden verder dan een armlengte van elkaar vandaan. Niet op een manier waar je grote woorden aan moest geven. Juist niet. Het was kleiner dan dat. Eline gaf Emma de helft van haar deken zonder er iets over te zeggen. Emma schoof automatisch de beker chocolademelk dichter naar Eline toe als die te druk aan het praten was om zelf op te letten. Soms vielen ze tegelijk stil. Soms begonnen ze tegelijk te lachen. Het leek vanzelf te zijn gegaan. Maar ik wist inmiddels dat vanzelf vaak gewoon betekent dat niemand precies heeft durven benoemen wanneer iets belangrijk werd.

“Pap?”
Ik draaide me om.
Eline stond in de kajuitingang.

Blote voeten. Verward haar. Een veel te grote trui die waarschijnlijk ooit van Frida was geweest en via drie omwegen in Eline’s bezit was gekomen. Haar gezicht stond nog half op slaap, maar haar ogen waren wakker.

Dat waren ze bij Eline vaak eerder dan de rest van haar.
“Goedemorgen,” zei ik.
Ze keek naar mijn mok. “Is er koffie?”
“Voor jou niet. Maar er is thee”
“Discriminatie.”
“Bescherming van de samenleving.”
Ze trok een gezicht en kwam naar buiten. “Ik ben bijna volwassen.”
“Dat zeg je meestal vlak voordat je iets doet waardoor ik daaraan ga twijfelen.”

Ze liet zich naast me op de bank zakken en trok haar benen onder zich. Een paar seconden zei ze niets. Dat was bij Eline verdacht. Meestal kwam er binnen drie tellen een mening, een vraag of een opmerking die niemand had zien aankomen.

Ik wachtte. Ze keek naar het water. “Denk je dat haar ouders goed thuis zijn gekomen?” Daar was het. Niet haar eerste vraag over ontbijt. Niet over wat we die dag gingen doen. Niet over of ze Emma wakker mocht maken. Gewoon die ene vraag die blijkbaar al vanaf het moment dat ze wakker werd in haar hoofd zat.

“Ik denk het wel,” zei ik. “Ze zouden vannacht landen. Daarna nog naar huis. Ik verwacht straks wel een bericht.”
Eline knikte langzaam.
“Emma doet alsof het goed gaat.”
“Dat doet Emma vaker.”
“Ja.” Eline zuchtte. “Ze doet net alsof blijven makkelijk is.”

“En jij doet net alsof je dat gelooft?”
Ze keek me kort aan. Daarna trok ze haar schouders op.
“Ik wil gewoon niet dat ze zich schuldig voelt.”
“Waarover?”
“Over alles.” Ze friemelde aan de mouw van haar trui. “Over haar ouders. Over thuis. Over dat ze hier wil zijn. Over dat ik blij ben dat ze hier is. Over dat zij blij is dat ze hier is. Dat soort dingen.”
Ik nam een slok koffie.
“Geluk kan soms gemeen voelen,” zei ik.
Eline keek naar me alsof ze wilde vragen of ik dat ergens had gelezen, maar ze deed het niet.
“Na mama voelde lachen eerst ook verkeerd,” zei ze zacht.
Ik antwoordde niet meteen.
Sommige zinnen moet je niet te snel aanraken.

De haven werd langzaam lichter. Het water veranderde van donkerblauw naar zilver. In de verte hoorde ik iemand lachen. Zo’n gewone lach van iemand die waarschijnlijk geen idee had dat er op een donkerblauwe zeilboot een meisje zat dat midden in de ochtend ineens haar moeder miste.

“Dat weet ik,” zei ik uiteindelijk.
Eline slikte.
“Maar mama zou boos worden als we nooit meer gelukkig werden, hè?”
Ik glimlachte voorzichtig. “Je moeder zou ons allemaal persoonlijk komen lastigvallen.”
“Vooral jou.”
“Vooral mij.”
Daar moest ze om lachen. Niet hard. Niet lang. Maar genoeg.
Achter ons klonk gestommel uit de kajuit. Daarna een zachte bons, gevolgd door een stem die duidelijk nog niet klaar was voor de dag.

“Auw.”
Eline draaide haar hoofd. “Emma?”
“Wie heeft die tas daar neergezet?” klonk het van beneden.
“Welke tas?” riep Eline terug.
“Die blauwe.”
“Dat is mijn tas.”
“Dan heb jij hem daar neergezet.”

“Dat is een aanname.”
Emma verscheen in de kajuitingang met haar oranje muts scheef op haar hoofd. Ze keek eerst naar Eline, toen naar mij, toen naar de haven, alsof ze even moest controleren of de wereld nog op dezelfde plek lag.

“Goedemorgen p…..,”  zei ze. Net alsof ze er iets achter wilde zeggen
“Je muts zit scheef,” zei Eline.
Emma voelde eraan. “Dat is stijl.”
“Dat is schade.”
“Dat heet karakter.”

Eline schoof meteen een stukje op zodat Emma erbij kon zitten. Dat ging zo vanzelf dat ik me afvroeg of een mens kan wennen aan iemand nodig hebben zonder het zelf door te hebben.

Emma ging naast haar zitten. Eline trok de deken over haar knieën en zonder overleg ook over die van Emma.
“Hebben ze al iets gestuurd?” vroeg Emma.
Ik hoefde niet te vragen wie ze bedoelde.
“Nog niet.”

Ze knikte.

“Maar dat komt wel,” zei Eline meteen. “Je moeder stuurt vast zo’n bericht met veel te veel details. Zo van: we zijn geland, we hebben koffie gehaald, je vader heeft de verkeerde uitgang genomen, thuis was alles koud en je kamer is nog steeds een puinhoop.”
“Ik hoop dat ze nog een leuke vakantie hebben gehad in Lissabon.” Zei Emma met een glimlach.
“Mijn kamer is geen puinhoop.”
Eline keek haar aan.
Emma hield het drie seconden vol.
“Oké, een georganiseerde puinhoop.”
“Dat zeggen mensen zonder systeem.”
“Jij noemt alles systeem zolang het op een stoel ligt.”
“Een stoel is een tijdelijke kast.”

Ik luisterde naar ze en voelde iets in mijn borst dat ik niet meteen kon plaatsen. Het was geen verdriet. Niet precies. Het was ook geen opluchting. Misschien was het allebei tegelijk. Misschien was dat wat familie werd na verlies: lachen aan dezelfde tafel waar ook iemand ontbrak. Frida kwam als volgende naar boven.

Ze zag eruit alsof ze al een uur wakker was, wat waarschijnlijk ook zo was. Frida had de irritante gewoonte om stil te functioneren voordat de rest van ons überhaupt begreep welke dag het was.

“Lijnen zijn goed,” zei ze.
“Goedemorgen Frida,” zei ik.
“Goedemorgen. De stuurboordfender hing te laag.”
“Ook fijn dat je ons allemaal nog levend aantreft.”
Ze gaf me een blik die verdacht veel op die van Luna leek als ik vroeger iets zei wat volgens haar niet hielp.
Eline fluisterde tegen Emma: “Frida zegt eigenlijk: ik hou van jullie.”
Frida hoorde het natuurlijk.
“Dat zei ik niet.”
“Nee, maar dat bedoelde je.”
“Ik bedoelde dat de fender verkeerd hing.”
“Liefde heeft vele talen,” zei Emma.

Frida wilde iets terugzeggen, maar op dat moment kwam Eva naar boven. Haar haar zat aan één kant plat tegen haar hoofd en aan de andere kant alsof ze in haar slaap ruzie had gemaakt met een storm.

“Wie praat er zoveel?” vroeg ze.
Eline stak haar hand op.
Eva keek haar aan. “Natuurlijk.”
Alyssa verscheen achter haar, nog half slapend, met een gezicht dat duidelijk maakte dat wakker worden een fout in het systeem was.

“Is er ontbijt?” vroeg ze.
“Goedemorgen Alyssa,” zei ik.
“Dat hangt van het ontbijt af.”
“Brood, fruit, yoghurt.”
Ze dacht na.
“Matig.”
“Chocolademelk,” zei Eline.
Alyssa knikte. “De dag is gered.”
Even later zaten we allemaal in de kuip. Brood op tafel. Fruit dat onderweg waarschijnlijk meer landen had gezien dan sommige mensen. Bekers chocolademelk voor de meiden. Koffie voor mij. De zon kroop langzaam hoger en gaf iedereen een zachtere rand, alsof zelfs Fuerteventura vond dat we na alles wat milder bekeken mochten worden. Emma hield haar telefoon naast haar bord. Ze keek er niet voortdurend naar, maar vaak genoeg. Niemand zei er iets van. Dat vond ik mooi.

Vroeger zouden ze elkaar ermee gepest hebben. Nu niet. Niet vandaag. Soms weet een gezin precies wanneer humor moet wachten. Zelfs Eline wist dat. Al kostte het haar zichtbaar moeite. Toen het bericht kwam, voelde iedereen het voordat Emma iets zei. Haar telefoon trilde op tafel. Ze keek naar het scherm. Haar gezicht veranderde.

Niet dramatisch. Niet zoals in films. Gewoon een kleine ontspanning rond haar mond, haar schouders die een halve centimeter zakten, haar adem die eindelijk de ruimte kreeg.
“Ze zijn thuis,” zei ze.
Eline pakte meteen haar arm vast. “Zie je wel.”
Emma las het bericht hardop.

Lieve Emma, we zijn goed thuisgekomen. Alles is goed gegaan. Het huis voelt stil zonder jou, maar dat is oké. We weten dat je op de goede plek bent. Geef Bert en de meiden een knuffel van ons. En zorg dat Eline je niet te veel onzin leert.”

Eline trok verontwaardigd haar mond open.
“Dat is laster.”
Emma scrolde verder.

Papa zegt dat je kamer nog precies zo is als je hem hebt achtergelaten, inclusief je trui op de stoel en drie bekers op je bureau. Mama noemt dat bewijsstuk A, B en C.”

Alyssa wees naar Emma. “Georganiseerde puinhoop?”
Emma werd rood. “Die bekers waren tijdelijk.”
“Hoe lang tijdelijk?” vroeg Eva.
“Dat is niet relevant.”
Frida nam een slok chocolademelk. “Alles langer dan drie dagen is geen tijdelijk systeem meer.”
“Dank je, kapitein hygiëne,” zei Emma.

Eline trok Emma kort tegen zich aan. Niet overdreven. Niet voor de show. Gewoon even. Emma liet het gebeuren en keek daarna naar haar telefoon alsof het scherm nog warmte afgaf.

“Gaat het?” vroeg ik.
Ze knikte.
“Ja.” Haar stem was zacht. “Nu wel.”
Er viel een rust over de kuip. Geen zware rust.  Een goede. Alsof er ergens een knoop was losgemaakt.

1